Op 15 oktober 2002 schreef Andries:

In een boek van Yagyu Munenori (1571-1646) kwam ik een interessante stelling tegen: „It may happen that myriad people suffer because of the evil of one man. In such a case, myriad people are saved by killing one man. Would this not be a true example of „the sword that kills is the sword that gives life”?” Ruwweg vertaald is de vraag: „Als vele mensen lijden door het kwaad van een man, zijn vele mensen gered door het doden van die man. Is dit geen voorbeeld van „het zwaard dat dood is ook het zwaard dat leven geeft”?”

Als duizenden onderdrukt worden door een man, redt het doden van die man dan duizenden? Ik zou zeggen van wel maar alles heeft zijn prijs, zeker dit soort dingen. Neem nou Japan, het gooien van de atoombom op Hiroshima mag dan de oorlog met Japan gestopt hebben maar vele mensen zijn gestorven of verminkt door de explosie. Of neem nu de situatie tussen de VS en Irak, het is zeker dat veel mensen lijden onder het bewind van Sadam Husein maar mocht de VS Irak ooit aanvallen is het ook zeker dat vele onschuldige mensen ook zullen sterven.

Mag je om duizenden te redden duizenden laten sterven of is die prijs te hoog??

Misschien wel leuk om over door te praten?

Nu nog even iets voor jou, Fred:

Dit stuk Aziatische krijgsfilosofie is geschreven in 1632 en staat vol met argumenten dat het doden van het „slechte” (wat natuurlijk alles kan zijn van opstandige clans tot een gewone arme slaaf die iets verkeerds gedaan heeft) goed is. Hoe keken Europese filosofen toen der tijd tegen deze stelling aan? Waren wij net zo bereid om mensen te doden?
 

Fred antwoordde op 15 oktober:

Een geweldig verhaal. Nu heb ik weinig tijd —vergeef me— maar ik beloof je, we komen erop terug. Heb al veel associaties. Ik neem morgen een kopie van Het verhaal van Oosterhuis van Belcampo (1902-1990) voor je mee. Dat beschrijft een volk dat in een paradijs leeft door ‘onschuldigen’ in de dood te storten.
 
 

Op 22 oktober 2002 voegde Fred daar aan toe:

Allerallereerst, van het deel van de wereld waar Japan ligt, begin ik pas sinds kort wat meer te weten. En neem dat ‘wat meer’ maar met een korreltje zout. Als je niets weet, is één boek al veel.

En het is groot, hoor. Tussen de Beringstraat en Irian is veel gebeurd, gebeurt veel en zal veel gebeuren. In heel grote lijnen zou je kunnen stellen —ik heb het niet van mezelf maar van een Indonesische hoge militair— dat de mensheid na het tijdperk van de Middellandse Zee en het tijdperk van de Atlantische Oceaan nu terecht is gekomen in het tijdperk van de Pacific, de Stille Oceaan. Daarheen verlegt zich de economische activiteit. Daarom gaan misschien wel de oorlogen die de Verenigde Staten voeren. De Amerikaanse westkust ligt verder dan we denken. Hawaii is al lang niet meer de voorpost die het tot de aanval op Pearl Harbor was. De voorposten liggen sinds vijftig jaar op Zuid-Korea, Japan, Taiwan, de Filippijnen. En met een beetje goede wil zou je de huidige inspanningen van de Verenigde Staten kunnen zien als een omtrekkende beweging waarmee Azië en met name de volksrepubliek China in de tang worden genomen. Dit om de hegemonie te verwerven over die immense plas water recht onder onze voeten.

Ik denk dat ik nu al in een klassieke val van wat ik noem ‘de koloniale verhouding’ ben gelopen, die van ‘de nobele wilde’. De ander is ‘wild’ maar ook ‘edel’. Om het plat te zeggen, ‘ze’ neuken als de konijnen maar ‘ze’ leven ook in een paradijselijke natuurstaat. Deze twee kanten van de koloniale of, zo je wilt, racistische medaille zijn sinds de verre reizen die nu zo’n vijfhonderd jaar vanuit Europa worden ondernomen voortdurend in de gedachten van de reizigers. En ook nu reizigers van daar zich hier hebben gevestigd en vestigen, is die reactie te zien. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het gedoe rondom Pim Fortuijn daarover gaat. ‘We’ zouden ‘ze’ te nobel hebben gevonden maar ‘we’ zouden er goed aan doen ‘ze’ te zien als wie ze zijn, ‘wilden’. Nou ja, ‘achterlijk’ want ‘wild’ gaat te ver. Maar even terug naar af. Ik denk dat ik door gebrek aan kennis van Japan maar al te makkelijk spreek van ‘rare jongens, die Japanners’ of ‘mooi, man, Japan & het lekkerste eten van de wereld & die kogelvis & in de 21ste eeuw zijn zij het middelpunt van de geschiedenis & & &’. Maar ik troost me met de gedachte dat het al heel wat is dat ik me ervan bewust ben dat die val er is. Ik ben dus een gewaarschuwd man en tel voor twee. Je mag me erop afrekenen.

Je elektronische post.

Japan was in de zeventiende eeuw, vanuit Europa gezien, ver weg. In 1543 kwamen Portugese handelaren in Japan aan. Ze werden al gauw gevolgd door Portugese en Spaanse missionarissen. Maar na enkele tientallen jaren werd duidelijk dat de Zuid-Europeanen niet alleen zieltjes maar ook land wilden veroveren. In het begin van de zeventiende eeuw maakten de Japanners daar hardhandig een eind aan. Ondertussen kregen Nederlandse handelaren in 1609 het recht om handel te drijven met Japan. Van 1638 tot 1854 waren zij —wij?— de enige Europeanen die dat recht hadden. En hoewel de Nederlanders niet meer dan één handelspost, een ‘factorij’, hadden die ze niet mochten verlaten —de Nederlanders gingen niet naar de Japanners maar de Japanners kwamen naar de Nederlanders—, heeft de Nederlandse aanwezigheid in Japan over en weer grote invloed gehad. Nog onlangs is een documentaire over Nederlandse waterbouwers gemaakt die tot op de dag van vandaag in Japan hoog geëerd worden. En omgekeerd heb ik zelf in een documentaire wel eens aangestipt hoe belangrijk de traditionele Oosterse geneeskunde voor die in Europa is geweest. Nu gebeurt het minder maar toen ik klein was, voelde de dokter altijd als eerste je pols en keek hij naar je tong. Uit de resultaten van die diagnostische methoden kon hij veel opmaken. En die kwamen, waarschijnlijk zonder dat de dokter het wist, al in de zeventiende eeuw uit Azië naar Europa. Niettemin zijn er ook hele gebieden geweest waarop er geen of weinig uitwisseling heeft plaats gevonden.

Over die gebieden gaat je vraag. De politiek en het recht. De eerste Japanse geschiedenisboeken zijn van de achtste eeuw van onze jaartelling. In die tijden werd de keizer, de afstammeling van de Zonnegodin, behalve religieus leider ook wereldlijk heerser. In de strijd tegen belagers liet hij zich bijstaan door sjogoens, ‘groot opperbevelhebbers ter onderwerping van de barbaren’. In 1192 werd sjogoen een eretitel, voor het leven verleend en erfelijk. Sindsdien had de keizer formeel wel de wereldlijke macht maar lag die feitelijk in handen van de sjogoen. In de relatie tussen keizer en sjogoen zat veel spanning maar het sjogoenaat heeft tot 1868 bestaan. Al die tijd waren het recht en de rechtspraak geënt op Chinese voorbeelden. Het was een soort gewoonterecht, sterk gekleurd door moraal en religie, en steeds ‘feodaler’, een zaak van de adel. Ik zet feodaal tussen aanhalingstekens omdat dat, denk ik, een heel Europees begrip is en de Japanse wereld geweld aan doet. Zeker is dat weinig was vastgelegd in wetboeken en gewone mensen bij de opstelling van wetten niets in de melk hadden te brokkelen.

Het einde van het sjogoenaat werd ingeluid door de komst van commodore Matthew C. Perry (1794-1858) uit de Verenigde Staten die namens president Millard Fillmore (1800-1874) het sjogoenaat het nadrukkelijke verzoek deed de grenzen open te stellen. De sjogoen deed dat zonder de keizer, met de eigen naam Mitsuhito en de officiële naam Meiji Tenno (‘Zijne Majesteit van de Verlichte Regering’) (1852-1912), te raadplegen. Japan kwam terecht in wat wel ‘de Japanse Burgeroorlog’ wordt genoemd. Tegenstanders van de sjogoen maakten van de gelegenheid gebruik het sjogoenaat, al sinds 1603 in handen van de Tokugawa-familie, bij de keizer in diskrediet te brengen. In 1867 stierf sjogoen Iemochi (1846-1866). Zijn opvolger, de laatste sjogoen, Yoshinobu (1837-1913), achtte het wijs op 9 november 1867 ontslag te nemen om verdere en grotere oorlog te voorkomen. Op 4 januari 1868 schafte de keizer bij decreet het sjogoenaat af. Daarna gaan de ontwikkelingen in Japan snel. Heel kort door de bocht, het ‘feodale’ systeem wordt tussen 1868 en 1912 ‘burgerlijk’. Over deze periode wordt wel gesproken als het ‘Wonder van Japan’. Het daarbij gevolgde voorbeeld was niet de Franse revolutie, waarbij de adel vrijwel volledig ‘onttroond’ werd, maar Pruisen, waar de adel ondanks politieke hervormingen een grote rol bleef spelen.

Met excuses voor de uitweidingen maar dat moet even. En ik vind het leuk om te doen. Van Japan wil ik al heel lang meer weten en dit is een goede gelegenheid. Maar ik vergeet niet waar het over ging.

De vraag die je stelt begint met ‘Mag je...’. En daar zit hem de kneep. Waaraan ontleent iemand het recht om, bijvoorbeeld, iemand anders te doden? Europa was in de zeventiende eeuw christelijk en dus wist iedereen dat ‘je niet zult doden’. Maar daar werd nogal wat tegen gezondigd. Ketters werden door de moederkerk tot de brandstapel veroordeeld. Protestanten gooiden in oorlogen die vele tientallen jaren duurden hete pek over rooms-katholieken. Beiden keken in verre landen niet op een dode wilde meer of minder. Hoe is zo’n inbreuk op het zesde van de tien geboden te rechtvaardigen? Dat was een belangrijke kwestie. Niet in het minst omdat alle partijen christelijk waren en dus de tien geboden waren toegedaan.

Met de woorden ‘Mag je...?’ stel je een morele vraag. Is doden in naam van iets hogers in overeenstemming te brengen met een individueel geweten? Het zou me niet verbazen als dat een moderne, haast twintigste-eeuwse vraag is. Namen die bij mij opkomen zijn Mahatma Gandhi (India, 1869-1948) die met zijn geweldloos verzet India onafhankelijk wist te maken van het Britse Rijk. En Jean Paul Sartre (Frankrijk, 1905-1980) die formuleerde dat je op cruciale momenten ‘van god los bent’ en je geweten is wat je in een bepaald geval doet en niet wat je zou moeten doen. Maar ik vraag me af of de vraag hier zo in de zeventiende eeuw werd gesteld. Dat kan namelijk pas als mensen zich echt als individuen zien. En als dat nu al zo is, dan is dat pas sinds kort. Ook in de twintigste eeuw werden nog heel wat oorlogen gevoerd voor volk en vaderland. Daar maakte een individu deel van uit. In de zeventiende eeuw werd er gewoon nog gevochten voor de god en de vorst want daar waren volk en vaderland aan onderworpen. Nee, het individu is nieuw. Het begon misschien in 1517 toen Maarten Luther (Duitsland, 1483-1546) stelde dat een gelovige een direct lijntje met god had waar de kerk zich niet mee hoefde te bemoeien maar, om maar een dwarsstraat te noemen, individueel onderwijs van het type Montessori was echt pas in de twintigste eeuw mogelijk. ‘Mag je...?’ was in de zeventiende eeuw niet zozeer een morele als wel een praktische vraag. ‘Wie mag...?’

Met een beetje goede wil kun je de zeventiende eeuw in dit deel van de wereld de eeuw van de rede noemen. Die had, erg gevoed door het contact met Arabieren in Spanje en Grieken uit Constantinopel, de kop natuurlijk al opgestoken bij mannen als Galileo Galilei (Italië,1564-1642) en Johannes Kepler (Duitsland, 1571-1630) —de aarde is niet het middelpunt van het heelal—  en geleid tot een menselijke kijk op de dingen. Niet alles hoefde meer door de bril van de godsdienst bekeken te worden. Het ‘humanisme’ was de mode. Maar in de zeventiende eeuw werd menselijkheid, je zou haast kunnen zeggen, teruggebracht tot redelijkheid. René Descartes (Frankrijk, 1596-1650) ‘dacht, dus was’. Benedictus de Spinoza (Nederland, 1632-1677) goot zijn redelijkheid zelfs in de vorm van de wetenschap van de wetenschappen, wiskunde. Hij schreef zijn Ethica, een overigens geweldig boek over alles tussen god en jaloezie, als een wiskundige verhandeling, met axioma’s, definities, stellingen en bewijzen. En van Gottfried Wilhelm Leibnitz (Duitsland, 1646-1716) herinneren we beter zijn differentiaalrekening —nu nog middelbare school-stof— dan zijn monadenleer.

Welnu, die rede deed toen ook zijn intrede in het recht en de rechtspraak. Mannen als Niccolo Machiavelli (Italië, 1469-1527), Thomas More (Engeland, 1478-1535), Hugo de Groot (Nederland, 1583-1645), Thomas Hobbes (Engeland, 1588-1679) dachten en dachten over de grondslagen van het recht. Machiavelli had de mens niet zo hoog zitten en achtte het noodzakelijk dat strijd soms gestreden moest worden zoals de dieren dat doen, met geweld. Bovendien, zag hij, bestond er nog helemaal geen wetgeving die een staat te boven ging, dus moesten staten wel met politieke en militaire middelen hun strijd uitvechten. More hoopte op, zoals het in een handboek van de geschiedenis van de filosofie staat, een ‘ideaal socialistisch gemenebest’ dat hij beschreef in zijn, ook al zo’n prachtboek, Utopia. De Groot boog zich over het recht op zee en het volkenrecht, niet verwonderlijk in onze zo genoemde Gouden Eeuw. Dat recht zou gods wil zijn en als zodanig natuurlijk. Hobbes meende dat de staat het recht op het recht had, als je begrijpt wat ik bedoel. De menselijke natuur zou maar leiden tot een oorlog van allen tegen allen, dus moest de staat de mensen tot de orde roepen. Dat soort dingen. Je ziet, in Europa waren ‘we’ er in 1632 ook nog niet echt uit.

Maar in de achttiende eeuw ging het hard. Ik ben geen rechtsgeleerde maar in mijn kop heeft zich toch wel vastgezet dat de rechtstaat waar we nu zo trots op zijn dat we vinden dat we die met alle middelen waar ook ter wereld mogen verdedigen in die achttiende eeuw is bedacht. In Engeland ontwikkelde zich een behoorlijke democratie. John Locke (Engeland, 1632-1704) bedacht een mens die geboren werd als onbeschreven blad waardoor de mens verantwoordelijk werd voor de goedheid van andere mensen en zichzelf. Hij dringt aan op verdraagzaamheid, een woord waar David Hume (Engeland, 1711-1776) evenzo makkelijk sympathie van maakt. En in Frankrijk is in de achttiende eeuw een echte rechtsgeleerde aan de slag, Charles de Sécondat, baron de la Brède et de Montesquieu, kortweg Montesquieu (Frankrijk, 1689-1755). En die is geweldig.

In zijn boek De geest der wetten onderzoekt hij al het hem bekende recht van over de hele wereld, inclusief dat van lang vervlogen tijden, en geeft aan wat van de moeite loont en wat niet. Hij stelt dat de mensen die het recht maken het niet moeten uitvoeren. Anders zouden er wetten gemaakt kunnen worden om bepaalde handelingen even te verrichten en is er geen rechtzekerheid. Bovendien moet de rechtspraak onafhankelijk zijn van degenen die de wetten maken en degenen die ze uitvoeren. Om vergelijkbare redenen. Hij is er volledig van overtuigd dat we wetten moeten zien als menselijke maaksels, als dingen die zich ontwikkelen, en niet als statische van god of de natuur gegeven dingen. Hij vindt het dus ook niet zo vreemd dat op verschillende plaatsen verschillende wetten heersen. Maar hij vindt wel dat wetten zo belangrijk zijn dat ze overal op een ‘keurige’ manier tot stand moeten worden gebracht en moeten worden gehandhaafd.

Je merkt wel, ik heb die Montesquieu hoog zitten. Wist je dat ik die wel eens tevoorschijn haal bij bijvoorbeeld conflicten op school? Dan zeur ik erover dat je bijvoorbeeld een scherp onderscheid moet maken tussen een verdachte en een schuldige. Iedereen, ook een verdachte (leerling), is onschuldig tot het tegendeel bewezen is. En dat tegendeel bewijzen doe je in een keurige rechtszitting met een aanklager, een advocaat en een rechter. Ook op school. Je kunt niet zomaar van alles roepen over bijvoorbeeld een leerling van wie je vermoedt dat hij of zij stout is geweest. En dat gebeurt veel. Het probleem is namelijk dat we wel roepen dat we in een rechtstaat leven maar eigenlijk niemand weet wat dat is. Welke gek leest er nou nog Montesquieu?

Bush, om bij je post aan te sluiten, zeker niet. Dat kan ik je garanderen. Die man stelt zich niet de vraag ‘Mag je...?’ maar doet gewoon. Nog even afgezien van de morele kant van de zaak —die heeft weinig met recht en veel met, in zijn geval, het christelijk geloof te maken— wat Bush met voeten treedt is de rechtsgang. Hij manipuleert getuigen door ze geld, veel geld te bieden. Hij schendt internationale wetten van het type ‘niet ingrijpen in binnenlandse aangelegenheden van andere mogendheden’. Hij blokkeert internationale wetgeving en de instelling van internationale gerechtshoven. Hij behandelt verdachten als veroordeelden in een kamp buiten de Verenigde Staten zodat daar de wetten van de Verenigde Staten niet hoeven te worden toegepast. Dat soort dingen zijn volledig in tegenspraak met de uitgangspunten van de rechtstaat zoals die in Europa in de achttiende eeuw zijn bedacht en in de negentiende eeuw zowel in de Verenigde Staten, als in Europa, als dus uiteindelijk ook in Japan, zijn verwezenlijkt.

Met Bush zijn we terug bij Machiavelli, het beslechten van conflicten op de manier van de dieren. In de optiek van Machiavelli was dat soms noodzakelijk maar over één ding was hij daarbij uitgesproken. Met een hoger doel had dat diergedrag niets van doen. Dergelijke ingrepen dienden de macht. Het is eigenlijk intriest dat de machtigste man van de verlichte wereld in naam van de verlichting —zo wordt de filosofische stroming van de achttiende eeuw genoemd—  diezelfde verlichting om zeep helpt, althans erg in zijn ontwikkeling remt. Zou hij de verlichting en niet Machiavelli een warm hart toedragen dan zou hij juist nu internationale wetgeving en wetshandhaving versnellen, bijvoorbeeld door de Verenigde Naties meer armslag te geven. Het zou erg goed zijn als onze smaakmakers, ‘opinion leaders’, weer eens in de boeken zouden duiken.

Nou, zo langzaamaan zijn we er wel een beetje. Ik geef toe, het is lang en veel, maar je vraag was ernaar. Zoals gezegd, die riep veel associaties bij me op.

Ik ga nog één ding doen. En dat is eens kijken wat Montesquieu over Japan heeft te melden. Dat is altijd leuk. Moet je je voorstellen. Die man leefde 250 jaar geleden in Frankrijk, geen elektrisch licht, geen stromend water, geen centrale verwarming, geen internet, en hij verzamelde juridische kennis van over de hele wereld... Hoe is dat mogelijk? Ik moet er niet aan denken. Wat een werk.

[...]

Nou, dat is dus verschrikkelijk veel. ‘De wetten zijn er onuitvoerbaar want ze zijn te streng.’ ‘Dat ze Hollanders en Chinezen het alleenrecht op de handel hebben gegeven, heeft ze grote verliezen opgeleverd.’ ‘Japan levert het bewijs dat een land dat veel import aan kan maar ook veel exporteert daar groot voordeel uit kan halen.’ enz. enz.

En terzake:

Montesquieu stelt dat het Japanse volk zo’n wreed karakter heeft dat de wetgevers en bestuurders het in het geheel niet kunnen vertrouwen. Die nemen dus hun toevlucht tot een sterke politie. Van de vijf familiehoofden is één de bestuurder van de andere. Dat heeft tot gevolg dat de misdaad van een individu verhaald wordt op een hele familie of hele woonwijk. En dat er geen onschuldigen worden aangetroffen op plekken waar een schuldige zou kunnen zijn. De wetten zijn gemaakt om wantrouwen te zaaien. En om ervoor te zorgen dat iedereen onderzoeker, getuige en rechter is van ieder ander. Hij stelt het recht in Japan tegenover het recht in India waar het volk zachtaardig is en de wetgevers zich dus op de mensen kunnen verlaten.

Verder wijdt hij uit over de gevolgen van het dogma van de onsterfelijkheid van de ziel. Het gevaar daarvan is dat ondergeschikten —vrouwen, slaven, onderdanen— zichzelf doden als hun bovengeschikte en/of geliefde sterft. Dat zou onder andere —India— ook het geval zijn in Japan. Het is niet voldoende dat een godsdienst een dogma formuleert. De godsdienst moet ook waken over de uitvoering van het dogma.

Montesquieu wijst er ook nog op, dit als laatste, dat het christendom echt bedreigend was voor Japan. Christenen zien er niet tegen op martelaar te zijn, voor de goede zaak te sterven. Reden voor de strenge straffen in Japan was wraak voor belediging van de vorst. De magistraten meenden dat christelijke martelaren eigenlijk rebelleerden en dus de bodem onder hun rechtspraak uit haalden. Vandaar dat de Japanse machthebbers zo heftig reageerden op de komst van de Europeanen.

Nou, Andries, dat is het wel. Ik heb dit met plezier geschreven. Lekker vakantie, lekker weer het een en ander uitzoeken. Ik hoop dat je het met plezier hebt gelezen. En ik beloof je, ik zal je niet overhoren.